Hoeselt Vrugger   |     Contact   |     Zoeken
 
 

 

Uit de volksmond

De lange Winter

Na een lange, koude winter kan een extra winterverhaal er ook nog bij...

Het verhaal komt uit de rijke Alt-Hoeseltse vertelschat die onze vriend Egide Voncken zaliger inderdertijd heeft opgetekend. En het speelt zich uiteraard af in Alt-Hoeselt.

Eertijds liep er een oude weg van Tongeren langs de Hoge Kommen, dwars door de Klaphoek en de Lindestraat in de richting van Hoeselt.

Langs die weg woonden toentertijd ongeveer alle inwoners van het oude Hoeselt, want langs die weg passeerden de kooplui, de bezembinders, ketellappers en de bedelaars. In een huisje dat verderop zo 'n beetje alleen stond, woonden Willem en Trien. Reeds aan het huisje kon men zien dat de bewoners geen overvloed hadden en dat er hard gewerkt diende te worden om rond te komen.

Dat had zo al lange tijd geduurd en alsof de grote baas hierboven zich ontfermd had over die arme drommels, lukte alles ineens wonderwel. De oogst was zo goed geweest dat de zoldering dreigde te begeven onder het gewicht van tarwe en koren, de kelder stak propvol beten en rapen, en aan de overschot die ze verkochten hadden ze een flinke stuiver verdiend. De pot, die onder een tegel in de keuken verstopt zat, geraakte boordevol met guldens en zilverstukken, Elke avond vr het slapen gaan gingen ze nog eens naar hun rijkdom kijken.

Op een avond vroeg Trien aan Willem: "Wat gaan we toch naar doen met zoveel geld?"
"Wel, bewaren voor de lange winter, we zullen het goed kunnen besteden."
"Maar", zei Trien "als ge nu eens naar de markt gingt en de ezel verkocht en een paard kocht in de plaats, en dan een nieuwe kar liet maken bij de wagenmaker?"
"Neen, neen" zei Willem "we bewaren het geld voor de lange winter en... daarmee basta!"

Trien scheen overtuigd en vroeg niet meer. Het geld bleef in de pot voor de winter die iedere dag kon beginnen.
Maar ook de bedelaars voelden de winter naderen en gingen elke dag op pad, in de hoop bij de boeren nog wat op te strijken. Tussen dat zootje bedelaars dat elke dag van deur tot deur trok was er eentje die speciaal opviel. Een broodmagere vent, zo lang als een bonenstaak. Hij kon zo klaaglijk om een aalmoes vragen voor de lange winter, dat hij de bijnaam gekregen had van 'Lange Winter'.

Die dag kwam nu ook Lange Winter uit Tongeren afgezakt en begon zijn bedelronde. En van de eerste huizen waar hij aanklopte was bij Willem en Trien. Willem was al naar het veld en Trien was doende in de keuken, toen er geklopt werd en dadelijk daarna iemand vroeg:
"Om de liefde Gods, een aalmoes voor de lange winter...!"
Trien opende de deur en daar stond ze voor die lange magere vent.
"Een aalmoes voor... de lange winter" herhaalde hij nog eens.
"Zijt gij 'Lange Winter'?" vroeg Trien.
"Ja, dat ben ik," grinnikte de vent.
"We verwachtten u" zei Trien "kom maar mee naar de keuken."
Behoedzaam knielde ze op de vloer en hief de tegel op.
"Voor u," zei ze, "voor de lange winter."

De vent aarzelde geen ogenblik, graaide in de pot en vulde, in een oogwenk zijn zakken.
"God zal het u lonen" mompelde hij nog en ging ijlings weer de weg terug naar Tongeren.

Een stralende Trien stond Willem op te wachten toen hij uit het veld thuiskwam voor het noeneten. Trien vertelde dadelijk het gebeurde. Met een rauwe vloek sprong Willem terug naar buiten, maar helaas, Lange Winter was uit het zicht verdwenen en met hem de lieve centen.

Nooit ofte nooit heeft men nog van 'Lange Winter' gehoord.


Heeft u aanvullende informatie, vragen of opmerkingen?
Mail gerust naar reacties@hoeseltvrugger.be